Home

De Monumenten-CV

Haalbaar of illusionair?

  

Inleiding


In tijden van recessie wordt door de overheid vaak bezuinigd op zaken als cultuur. Dus ook op het budget voor het onderhoud van ons cultuurhistorisch erfgoed. In het onlangs gehouden onderzoek met de titel “De Monumenten-CV haalbaar of illusionair?”, is door Pepijn Koch onderzoek verricht naar de vraag hoe het kan dat de overheid fiscale faciliteiten in het leven heeft geroepen om het onderhoud aan rijksmonumenten te stimuleren, maar dat tot op heden door professionele marktpartijen nog nauwelijks gebruik van deze faciliteiten wordt gemaakt.
Pepijn Koch onderzoek verricht naar de vraag hoe het kan dat de overheid fiscale faciliteiten in het leven heeft geroepen om het onderhoud aan rijksmonumenten te stimuleren

Het onderzoek is dan ook een speurtocht door de fiscaal juridische wetgeving om knelpunten te zoeken en mogelijke oplossingen daarvoor aan te reiken. Gelet op de aard en omvang van dit artikel zal niet inhoudelijk op het onderzoek worden ingegaan door de heer Koch. De auteur heeft tijdens zijn onderzoek een korte zijsprong gemaakt om te kijken hoe grote projecten in Europa worden aangepakt. In dit kader is de stad Dresden bezocht, vanwege de omvang van de projecten en de voorkeur van de auteur voor de barokke bouwstijl.

Onderzoek

Momenteel zijn er ca. 44.000 monumenten op grond van de Monumentenwet  door het Rijk beschermd. Dit aantal zal volgens Pepijn Koch waarschijnlijk worden uitgebreid met nog eens ca. 12.000 onroerende zaken uit de periode 1850 – 1940, waarvoor nog een registratieprocedure loopt. Zonder verder in te willen gaan op de diverse definities van het begrip monument, wordt in dit artikel met monument een rijksmonument bedoeld. Naar schatting van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg houdt de overheid ongeveer 25% van deze monumenten. Diezelfde overheid heeft de zorg om deze monumenten in stand te houden. Onlangs werd in de media nog de noodklok geluid. De Sint Jan te ’s-Hertogenbosch en vele andere monumenten dienen dringend onder handen genomen te worden, om soms zelfs instorting te voorkomen. Naar de omvang van het (nog te plegen) onderhoud aan rijksmonumenten zijn diverse studies gedaan. Deze kosten worden door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna Ministerie OC en W) geraamd op € 1,4 miljard.

Om aan haar verplichtingen te voldoen heeft de overheid vooralsnog ongeveer € 1,2 miljard beschikbaar, ofwel een tekort van ongeveer € 200 miljoen. Volgens de laatste schattingen van het Ministerie en het Nationaal Restauratie Fonds is dit bedrag opgelopen tot € 230 miljoen en zal dit tekort vervolgens ieder jaar groter worden. De heer Koch merkt op dat dit ook invloed heeft op de budgetten voor subsidies. Steeds vaker wordt duidelijk dat de subsidiepotten leeg zijn, doordat een aantal jaar geleden de subsidies over een aantal jaren zijn uitgesmeerd. Lokale overheden waren dan ook in de veronderstelling dat de budgetten op een later moment zouden worden verhoogd. Hetgeen een illusie is.

De overheid, maar ook andere eigenaren, zullen additionele fondsen moeten werven om aan hun onderhoudsverplichtingen te kunnen voldoen. Volgens Pepijn Koch is het een mogelijkheid om particuliere gelden aan te trekken door middel van beleggingsfondsen, welke fiscaal gedreven zijn. Door een juiste opzet van het beleggingsfonds (fiscale transparantie ) kan als belegger namelijk gebruik worden gemaakt van een fiscale faciliteit, die ziet op monumenten. Sinds de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: WIB 01) in werking is getreden, bestaat er de zogenoemde boxenstructuur. In Box 3 “Sparen en beleggen” worden door de vermogensrendementsheffing in feite inkomsten belast tegen effectief 1,2% en zijn de kosten in feite tegen 1,2% aftrekbaar. Dit heeft tot gevolg dat hoe hoger de kosten zijn des te groter de impact zal zijn op het rendement. Met andere woorden, hoge (achterstallige) onderhoudskosten zijn niet gewenst bij het structureren van een “regulier” beleggingsfonds, wat in de onderhavige situatie juist het uitgangspunt is. Voor de onderhoudskosten van rijksmonumenten, ofwel de persoonsgebondenaftrek “uitgaven voor monumentenpanden”, is in de WIB 01 een uitzondering opgenomen. Deze fiscale faciliteit kan ertoe leiden, dat in beginsel onrendabele monumentale vastgoedbeleggingen toch rendabel worden omdat de (achterstallige) onderhoudskosten aftrekbaar zijn.

Het onderzoek belicht voornamelijk de juridische-  en fiscale kant. Echter, gedurende het onderzoek is regelmatig het wantrouwen tussen de overheid en bijvoorbeeld projectontwikkelaars naar voren gekomen. De overheid stelt dat projectontwikkelaars uitsluitend oog hebben voor het rendement en niet het behoud van het cultuurhistorische erfgoed. Projectontwikkelaars op hun beurt zijn van mening dat de overheid te rigide vasthoudt aan haar zogenoemde “restauratiefilosofie” . Hoewel hiervan geen definitie bestaat, wordt hiermee bedoeld dat het monument in oude staat moet worden hersteld en daarbij de functie niet mag wijzigen. Door de bovenstaande problematiek beschreven door Pepijn Koch ligt deze filosofie onder vuur en is men voornemens deze te wijzigen in het kunnen aflezen van de historie, waarbij de functie mag wijzigen met respect voor het monument.

Dresden, een Europees voorbeeld

Zoals in de inleiding is opgenomen, is in dit onderzoek door Pepijn Koch buiten de landsgrenzen gekeken hoe men daar met grote projecten omgaat. In dit kader wordt Dresden genoemd als uniek project in Europa. Deze Oost-Duitse stad, waarvan het beroemde en prachtige oude centrum door het Anglo-Amerikaanse bombardement van 13 februari 1945 praktisch geheel werd weggevaagd, had behoudens enige bouwwerken die reeds vrij snel na de oorlog voor restauratie in aanmerking kwamen gedurende de DDR periode te maken met een “Zweite Zerstöring”. Nog vrij gemakkelijk te restaureren gebouwen (zij waren slechts uitgebrand, de façaden stonden nog grotendeels overeind) werden prijsgegeven aan de troosteloze nieuwe architectuur van een voorgeprogrammeerde Sozialistische Groβstadt. Protesten uit heel Duitsland en zelfs de hele wereld ten spijt. De beroemde kunsthistoricus Löffler waagde het in deze periode zelfs het DDR beleid in dezen aan de kaak te stellen. Echter, zonder resultaat. Zijn uitgesproken hoop dat er ooit een generatie zou opstaan die uitgaande van het oorspronkelijke stadsplan van Dresden (dus van vóór 1945) in ieder geval delen van de oude stad in oude luister zou herstellen, lijkt in onze dagen grote kans van slagen te hebben, aldus Pepijn Koch. Een en ander komt er wel op neer dat men vaak vanuit het niets opnieuw moet beginnen. Na de communistische slopersdrift resten er vaak alleen nog tekeningen. Paradoxaal genoeg liggen in de nalatigheid van de DDR autoriteiten, om het terrein van de Neumarkt na de sloop van oude gebouwen weer vol te bouwen, juist de kansen.

Met de opneming van de oude DDR in de Bondsrepubliek was het pad geëffend voor een stevige West-Duitse injectie in de vormen van miljarden marken in de zieltogende economie van Oost-Duitsland. Als prestigeproject waar het gaat om herstel van monumenten kreeg Dresden weldra prioriteit. De Frauenkirche waarvan de ruïne (zie foto 1) jarenlang als zinloze verwoestingdrift had gefungeerd, werd met steun van een grote toevloed aan middelen vanuit de hele wereld herbouwd in de jaren 1994 tot en met 2004. De kosten daarvan worden geraamd op ruim DM 750 miljoen.

De Neumarkt bood als braakliggend terrein plotseling de bovenvermelde buitenkans. Alleen de financiering van een immens project om de Frauenkirche in te passen in haar “oude omgeving” van barokke burgerwoningen zou problemen gaan opleveren, gezien de enorme kosten die de sanering van de infrastructuur in Oost-Duitsland na de “Wende” met zich had meegebracht. De, door Pepijn Koch begrijpelijk, geringe toeschietelijkheid van de banken wat betreft leningen moest hoe dan ook opgevangen worden. Navraag in Dresden aan het Neumarkt paviljoen aan de Wilsdrufferstraβe leverde de volgende informatie over drie verschillende financieringsmethoden:

1. Subsidies van de staat c.q. van het land Saksen;
2. Concessies van de gemeente, daar waar het de verkoop van bouwgrond betreft;
3. Bijdragen van de UNESCO en de Europese organen daarvan.

Met betrekking tot het onder 3 vermelde merkt Pepijn Koch nog op dat Dresden en het hele Dresdner Elbtal in 2004 is opgenomen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Het spreekt vanzelf dat particuliere giften nog als vierde financieringsbron zouden kunnen worden vermeld. Het is voornamelijk de Gesellschaft Historischer Neumarkt die zich met niet aflatende inzet om een zo groot mogelijke schare steunbetuigers voor de Neumarkt projecten te werven.

Er onderscheiden zich zonder limitatief te willen zijn vooral drie grote projecten waar het gaat om het areaal rond de Frauenkirche. Het eerste project, ook wel het Prisco project genoemd aan de zuidkant van de Frauenkirche (foto 2), van de Italiaanse investeerder Arturo Prisco dat voorziet in een zeer uitgebreid en historisch volkomen verantwoorde herbouw van diverse grote barokke burgerwoningen en hotels. De bestemming zal opnieuw overal een combinatie van horecagelegenheden, winkels en woonhuizen (op de hogere etages) zijn. Na lang touwtrekken is eindelijk in augustus van dit jaar, dankzij een concessie van de gemeente Dresden, de weg vrijgemaakt voor het opstarten van het project. Merk op dat vlak ervoor de steigers al klaarstonden voor de aanvang van de werkzaamheden, aldus Pepijn Koch.

Het tweede project VVK project genoemd, aan de noordzijde van de Frauenkirche van de uit Dresden afkomstige investeerder Uwe Gabler, is eveneens volkomen historiserend en hij verantwoordt zijn volkomen afkeer van glas en staal façade aldus: “Er zal uiteindelijk geen Amerikaanse toerist naar Dresden komen om glas en staal te bewonderen” (interview in de Säcksische Zeitung van 24 maart 2001). Nadat deze investeerder van privé erfgenamen kleine percelen grond had gekocht, kreeg hij van de stad Dresden grote concessies voor de nog ontbrekende percelen. Nu kan Gabler de grote vlakte (foto 3) tussen Frauenkirche en Coselpaleis tot in het politiegebouw bebouwen met de door hem geplande barokke woningen. Met de afbraak van het politiegebouw is reeds begonnen. Wederom zijn het horeca aangelegenheden die een grote rol zullen spelen in het te zijner tijd gereed gekomen project.

Foto 3: VVK project

Het Baywobau / Mübau project is het derde grote project dat Pepijn Koch analyseerde. De koopovereenkomst met de gemeente werd door deze investeerder uit München in februari 2004 bezegeld en na de voltooiing van de ondergrondse parkeergarage voor de Frauenkirche kan de bouw van Hotel de Saxe (foto 4) beginnen. Zowel grondeigenaren als de gemeenteraad hebben ook hier concessies gedaan betreffende de grondprijs.

De bouw van een ondergrondse parkeergarage toont overigens de vastbeslotenheid om kleine straatjes en stegen die te zijner tijd weer zullen ontstaan rond de Frauenkirche van snel verkeer te vrijwaren maar toch bereikbaar te houden.

Toen Pepijn Koch navraag deed bij het Neumarkt paviljoen leverde de volgende informatie op. De in Dresden te realiseren projecten zijn het best vergelijkbaar met Warschau. Waar achter in oude glorie herstelde façaden compleet moderne interieurs hun plek hebben, voor volledige moderne doeleinden gebruikt. Sommige karakteristieke trappenhuizen echter zullen weer in oude stijl opgebouwd worden, daar waar de nieuwe functie van de gebouwen dit toelaat. Alle projecten worden gedragen door een brede ondersteuning van de Dresden bevolking, ook wel Dresdner Bürgerbegehren genoemd, die met allerlei acties haar preferenties kenbaar maakte, waaronder handtekeningenacties.

In het oogspringend is het verschil tussen Duitse flexibiliteit en vastberadenheid in deze met de Nederlandse attitude, waar vaak krampachtig wordt vastgehouden aan oude functies en indelingen van gebouwen. Ongetwijfeld zal hier een rol hebben gespeeld het feit dat in Duitsland na de oorlog vaak vanuit het niets opnieuw moest worden begonnen. Slechts daar waar een interieur voldoende mogelijkheden biedt om geheel of ten dele te worden hersteld in de ruime zin van het woord, is hiertoe overgegaan. Bij grote afzonderlijke projecten als de Frauenkirche (foto 5), die haar oorspronkelijke functie zal herkrijgen, wordt het oude interieur zoveel mogelijk in oude luister, zelfs de kleinere beeldengroepen en plafondversieringen, hersteld.

Conclusie

Nederland verkeert nu al een paar jaar in recessie. De tijden van weelde en overschotten zijn voorbij. Er zullen additionele bronnen gevonden moeten worden om het onderhoud aan onze monumenten te financieren. Eén daarvan zal de monumenten-CV zijn. De overheid houdt controle over haar monumenten, en facilieert vervolgens via fiscale wetgeving de aftrek van het onderhoud. Om te zorgen dat monumenten rendabel geëxploiteerd kunnen worden, is een uitstapje naar Dresden geen overbodige luxe, aldus Pepijn Koch.

drs. Pepijn Koch MRE is verbonden aan NBC Van Roemburg & Partners Belastingadviseurs
30/11/2004

Lees meer over: Ketenaansprakelijkheid

Lees meer over: Vastgoed Fiscaliteiten 2006